Als groot kunstliefhebster heb ik de plicht op mij genomen om de activiteiten van de Orde van de Douchekapjes uit te breiden met een vzw “Deftige Dorpskunst” met als doel  het bevorderen en organiseren van culturele activiteiten in landelijke Vlaamse dorpen.

Mijn eerste grote opdracht DDD#010rdnungmußsein! , de eerste editie van de triënnale voor Hedendaagse Deftige Kunst In Het Dorp, is helaas ongemerkt voorbijgegaan en ook mijn persbericht hierover werd volledig genegeerd door de nationale en internationale media. Gelukkig kan ik nu al aankondigen dat ze zal gevolgd worden door een tweede editie in 2012. Ik zal u hiervan tijdig op de hoogte brengen.

beaufort2009Haaltert01

Desalnietemin wil ik hieronder toch nog verslag uitbrengen van de zeer succesvolle eerste editie die plaatsvond op vrijdagochtend 26 juni jl. om 06u30.

Het (helaas) enige werk “Installatie met dode koe en verkeersbord” van de (helaas) enige maar zeer enthousiaste deelnemer, een onbekende meester – conceptueel kunstenaar – vermoedelijk een afstammeling van het oude geslacht van de levenkunstenaarsfamilie Devadderkes, was onverwachts te bezichtigen op een zeer interessante locatie in een naburige gehucht van het binnenkort wereldberoemde Reetveerdegem – kon het toepasselijker – meer bepaald de hoek van de weg die naar het kerkhof loopt en de straat naar een woonwijk met jeugdcentrum, sociaal huis en kinderopvangverblijf. De betekenis van deze zeer merkwaardige en uitzonderlijke locatie zal later in het verslag toegelicht worden.

Het werk “Installatie met dode koe en verkeersbord” dat kortstondig te bezichtigen was,  zorgt op het eerste gezicht voor een schokgolf. Dit bewust uitlokken van het shokeren is enkel bedoeld om op in tweede instantie de ‘schoonheid’ te doorgronden van het leven en de dood en ons optimaal te confronteren met de negotiatie van deze schoonheid in la vie quotidienne, hier meer bepaald met name de onpeilbare en raadselachtige pracht van de koe in de wei, een fenomeen dat u wellicht dagelijks onbewust tientallen keren passeert.

beaufourt2009haaltert02

Ik refereer hiervoor graag naar de beroemde uitspraak van de dichter Rainer Maria Rilke over de Heimat der Kunstwerke: “Und weit, weit hinter alledem, liegt die Heimat der Kunstwerke, jener seltsam verschwiegenen und geduldigen Dinge, die fremd umherstehen unter den Dingen täglichen Gebrauches, unter den beschäftigten Menschen, den dienenden Tieren und den spielenden Kindern.”

Ter verduidelijking: het is net door een actief doodgewoon existerend wezen als statisch kunstwerk te proposeren en in het centrum van een ordinaire straatberm te plaatsen in een bebouwde kom, meer bepaald en doelbewust op het kruispunt tussen oorsprong (kinderopvang) en einde (begraafplaats) van het Zijn, dat de esthetische vormgeving en schoonheid van het beest totalitair wordt, zeker nu ze niet meer levend staat te loeien in de wei maar als opgezet pièce d’art gepresenteerd wordt.

Hoe penetrant dit ook moge zijn, het werk lokt desalniettemin door zijn absenteïsme van artificiële kleuren ook de illusie van zwartheid. Het desiratum naar de oneindigheid van het leven wordt hier verstopt achter de systematiek tussen het werkbare en het denkbare en net hierdoor komt de kunstenaar tot een wereldbeeld dat vluchtig is, met enigma’s en ondenkbaarheden, ongrijpbaar, een oefening in het luchtledige. De mentale ruimte van de kunstenaar wordt volledig tastbaar in het tot metafysische omgezette non-motief. Wil de kunstenaar ons hier de verkneutering duiden door de hoge graad van cylindrische vormgeving of de ondoorgrondelijke groteske afgrondelijkheid van zijn denken?

beaufort2009haaltert03

Tenslotte zie ik in dit werk enige overeenkomsten met de door mij hoogst gewaardeerde en meest geliefde hedendaagse Belgische kunstenaar Thierry De Cordier, wiens oeuvre nauwelijks bekend is bij het grote publiek. Ik wil dit verslag dan ook besluiten met een zeer toepasselijke tekst van zijn hand, die me te binnen schoot bij tweede aanblik van dit prachtige werk “Installatie met dode koe en verkeersbord”.

“Ce jour-là, vers l’heure de la sieste, j’étais étendu longuement dans l’herbe haute (à l’ombre d’une délicieuse ronce à l’anglaise)… lorsque soudainement apparut à mes pieds un étrange morceau de paysage. A première vue, il semblait s’agir d’un dos de montagne. Une chinoiserie noire comme un trou de cul. Sur le sommet parsemé de quelques brins d’herbe trônait une poire baignant dans un coulis de jus tiède. Aussi étrangementen me trouvai-je face à cette drôle de “nature morte” aussi étrangement monta en moi l’envie de lui grimper dessus, de la monter, … de me mettre à cheval sur elle. Or d’ou me venait cette invitation? Et pourquoi ensuite l’avoir décorée à 3 reprises?
Thierry De Cordier (uit “Strange things in my garden)

(Noot van de redactie: alle overeenkomsten met dit betreurenswaardig incident zijn louter toevallig)

Advertenties