Ik was zes in achtenvijftig. .

De wereld was ons dorp, geen televisie, nog niets gelezen. Te jong om er iets van te begrijpen, maar oud genoeg om impressies te vangen die nooit meer zouden vervagen.

We zaten in de wagen met allemaal hetzelfde gesteven kleedje aan en we knepen in elkaars handjes om de spanning te delen voor ‘de wereldreis’. Alleen al de parking was een reis waard. Ik had nog nooit meer dan 3 auto’s samen gezien en nu stonden er een miljoen.

De bewondering voor mijn vader was grenzeloos, want hij wist de weg.

Op de expo zag ik voor het eerst een mensenzee, een miljard mensen. Met open mond vergaapten wij ons aan hele ‘rare’ gebouwen en vooral de punt (pijl van de burgerlijke bouwkunde) sloeg ons met verstomming. We waren blijkbaar oud genoeg om aan te voelen dat dit een wankel evenwicht was en natuurlijk vergrootte mijn vader de spanning door te roepen : “Pas op, pas op, ze valt!”

Expo was ook synoniem van ijsjes, een blokje met vanille, aardbeien en chocolade tussen twee wafeltjes. We zaten te smikkelen op de trappen van die reuzenfontein. We hadden nooit eerder een fontein gezien, laat staan een miljoen dansende fonteinen. We slopen steeds zo dicht mogelijk bij het water om dan verschrikt weg te lopen als het water onze richting uitkwam. Mijn moeder keek nauwlettend toe dat onze kleedjes deftig bleven en dat we niet verdwaalden. “Elkaar een handje geven” zei ze steeds. Boven onze hoofden zaten mensen in gondeltjes aan een kabelbaan te zwaaien. Een téléferique…. het zoveelste wereldwonder.

Rondom ons heerste een babylonische spraakverwarring, een miljoen vreemde talen hoorden we. We hadden nooit eerder een andere taal gehoord……

We gingen ook binnen in al die rare gebouwen en van alles wat we zagen, hadden we nog nooit iets eerder gezien. Het gevoel van een oermens die plots in de éénentwintigste eeuw wordt neergezet, zal waarschijnlijk onze verbazing benaderen.

Een eigenaardig gevoel kreeg ik in het paviljoen van Belgisch Congo. We wisten toen al dat er zwarte mensen bestonden want in de kleuterklas verzamelden we zilverpapier ( weet iemand waarvoor dat diende?) voor de zwarte kindjes. En toen zagen we hen echt, in huttendorpen nagebouwd in het oerwoud. Achteraf wijd ik dat rare gevoel aan het feit dat hier mensen tentoongesteld werden en geen dingen. Plots zagen we met eigen ogen dat er rassen bestonden, in mijn dorp had ik vijftig jaar geleden nooit een gekleurde mens gezien.

Dank zij de expo kreeg het woord ‘wereld’ een betekenis in een kinderhoofd. Expogevoel betekent voor mij verbazing en ongeloof maar bovenal een complete verwondering die ik later nooit meer heb ervaren. Al onze zintuigen werden gelijktijdig overstelpt met een miljoen nieuwe ervaringen.

Die verjaardagsviering is dus super, al wat je er over hoort en ziet trekt een schuifje open in je memorie en bovendien, ik ben bij de jongsten.

Fijn gevoel nog eens bij de jongsten zijn, ook al is het bij de jongsten met expoherinneringen.

(Met excuses van madame commentatore die verantwoordelijk was
voor de publicatie van dit artikel en twee dagen te laat is)

Advertenties